Fysiologie van het sprinten

Een sprinter moet wel degelijk beschikken over een groot uithoudingsvermogen. Vanuit deze basisconditie kan specifiek getraind worden. Een sprinter werkt voornamelijk op het anaeroob alactisch vermogen.

100 en 200 meter : anaeroob alctisch vermogen, beschikken over een groot fosfaatvoorraad. Deze fosfaatvoorraad is de capaciteit van het alactisch energiesysteem. Een sprinter moet aan hoge snelheid energie kunnen vrij maken uit de fosfaatvoorraad. Dit vrij maken doelt op het begrip vermogen.

Bij het vrij maken van energie uit de fosfaatvoorraad wordt geen lactaat gevormd. De fosfaatvoorraad levert voor ongeveer 20 sec energie.